Vragenlijsten en autisme

Dit is een artikel uit de reeks Diagnostiek en Autisme.

Wanneer jouw zoon of dochter een psychologisch onderzoek krijgt, is de kans groot dat ook jij als ouder, of bijvoorbeeld de leerkracht een vragenlijst over jouw kind in moet vullen. Er zijn veel verschillende soorten vragenlijsten, en in dit artikel worden de lijsten die het meesOLYMPUS DIGITAL CAMERAte worden gebruikt besproken. De vragenlijsten zijn gericht op de meest voorkomende stoornissen die bij kinderen voorkomen. De scores op de vragenlijsten kunnen gebruikt worden bij het vormen van een diagnose.

De vragenlijsten kunnen ook bij andere doeleinden gebruikt worden. Bijvoorbeeld als screeningsinstrument, dus het vroegtijdig opsporen van probleemgedrag van kinderen bijvoorbeeld op scholen. Ook kunnen de vragenlijsten handig zijn tijdens een begeleidings- of behandelingstraject. Wanneer de vragenlijst aan het begin, tijdens en aan het einde van het traject wordt ingevuld, kan de voortgang en de effectiviteit geëvalueerd worden.

CBCL/TRF

De CBCL (Child Behavior Checklist) is een vragenlijst met 99 vragen die de ouders moeten invullen over het gedrag van het kind. De CBCL wordt gebruikt om te onderzoeken of er eventueel sprake is van probleemgedrag. De vragen worden gescoord aan de hand van een 3-puntschaal: op de vragen kan worden geantwoord met 0=helemaal niet, 1=een beetje of soms, 2=duidelijk of vaak. Ook wordt er gekeken hoe de problemen in elkaar zitten: richten de problemen zich meer naar binnen, bijvoorbeeld bij angsten, of is het meer naar buiten gericht, bijvoorbeeld bij agressie. De vragen zijn onderverdeeld in verschillende schalen: teruggetrokken gedrag, lichamelijke klachten, angstige en depressieve klachten, sociale problemen, denkstoornissen (bijvoorbeeld autisme), aandacht- en concentratieproblemen en agressief gedrag. Als alle vragen zijn ingevuld kan er een score worden berekend, en uit die score komt een profiel naar voren. In dit profiel staat of de score op een bepaalde schaal in vergelijking met andere kinderen ‘normaal’  is, of bijvoorbeeld een stuk hoger, in het ‘klinische gebied’. Ook kan de score op de CBCL worden onderverdeeld naar stoornissen van de DSM, bijvoorbeeld angstproblemen of ADHD. Aan de hand van deze vragenlijst kan geen diagnose worden gesteld, maar het kan wel een hulpmiddel zijn om het gedrag van jouw kind in kaart te brengen.

De TRF (Teacher’s Report Form) is bijna dezelfde vragenlijst als de CBCL, maar moet door de leerkracht van jouw zoon of dochter worden ingevuld. De leerkracht ziet jouw kind 5 dagen per week, en kan dus belangrijke informatie geven over zijn of haar gedrag. De twee vragenlijsten kunnen met elkaar vergeleken worden: laat jouw zoon of dochter het probleemgedrag zowel thuis als op school zien, of juist helemaal niet? Dit geeft boeiende informatie die nodig is bij het in kaart brengen van het eventuele probleem van jouw kind.

VISK

De VISK (Vragenlijst voor Inventarisatie van Sociaal gedrag van Kinderen) brengt sociale problemen van kinderen van 4 tot 18 jaar in 1074542_96291148kaart. Ook deze vragenlijst wordt ingevuld door de ouders, en bestaat uit 49 vragen over het gedrag van jouw kind. De vragenlijst is met name gericht op autistische kenmerken en PDD-NOS. De vragen zijn onderverdeeld in 6 verschillende schalen: niet goed afgestemd zijn op de sociale situatie, verminderde neiging van sociale interactie, oriëntatieproblemen in tijd, ruimte en plaats, niet snappen van sociale informatie, stereotiep gedrag, en angst voor/ weerstand teven veranderingen. Er wordt gebruik gemaakt van een 3-puntschaal van 0 = niet van toepassing, 1 = een beetje/soms van toepassing tot 2 = duidelijk/vaak van toepassing. Er wordt een VISK-totaalscore berekend en aparte scores op de 6 verschillende schalen. De scores kunnen worden vergeleken met andere kinderen zodat je kan zien of een bepaalde score bijvoorbeeld ‘laag’, ‘normaal’ of ‘hoog’ is. Naar aanleiding van deze score alleen kan geen diagnose voor autisme worden gesteld, maar het kan wel dienen als onderbouwing voor de diagnose.

SEV

De SEV (Sociaal Emotionele Vragenlijst) wordt gebruikt om na te gaan of jouw kind last heeft van sociaal emotionele problemen. Deze vragenlijst bestaat uit 72 vragen en kan worden ingevuld door de ouders, maar ook bijvoorbeeld door de leerkracht van jouw zoon of dochter. De lijst is bedoeld voor kinderen van 4 tot en met 18 jaar. De SEV is onderverdeeld in verschillende schalen, namelijk de aandachtstekort/hyperactiviteit, sociale gedragsproblemen, angstig en depressief gedrag, en autistisch gedrag. Er kan aan de hand van de score op de vragenlijst gekeken worden of jouw zoon of dochter bijvoorbeeld hoog scoort op de schaal van aandachtstekort/hyperactiviteit. Ook bij deze vragenlijst is er een link met de DSM-V. De criteria van een aantal DSM stoornissen zijn in deze vragenlijst verwerkt: AD(H)D, ODD (Oppositioneel-opstandige gedragsstoornis), CD (anti-sociale gedragsstoornis), angststoornissen, depressieve stoornissen en autisme spectrum stoornissen. Wanneer de score op een van de schalen hoog is kan dit een aanwijzing zijn voor een stoornis.

Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen bij autisme. Klik hier voor de andere artikelen uit deze serie.

De SON-R 6-40 en autisme

In het artikel diagnostiek en autisme zijn de eerste stappen van het diagnostische proces bij het vaststellen van autisme besproken. In dit artikel wordt een belangrijk onderdeel van dit proces besproken, namelijk de intelligentietest. De intelligentietest die het meeste wordt gebruikt, de WISC-III, is al eerder besproken in dit artikel.

de SON-R 6-40

In dit artikel wordt de SON-R 6-40 besproken, de Snijders-Oomen Niet-Verbale Intelligentietest. “Niet-verbaal“, betekent dat er tijdens het onderzoek vrijwel geen taal gebruikt hoeft te worden. Dit is handig, want zo kunnen we bij doDe SON en autismeven en slechthorenden, maar ook bij kinderen en volwassenen die de Nederlandse taal nog niet goed spreken of begrijpen toch de intelligentie meten. De 6-40 staat voor de leeftijdsgroep: kinderen en volwassenen tussen de  6 en 40 jaar kunnen deze test maken. Er is ook een SON voor jongere kinderen, namelijk die van 2.5 tot 7 jaar, maar die wordt nu niet besproken.

Omdat er bij de SON geen taal wordt gebruikt, wordt alleen de performale intelligentie gemeten. Dat wil zeggen: hoe goed iemand is in het toepassen van praktijkkennis,  bijvoorbeeld hoe goed iemand is in het oplossen van puzzels. Of het kunnen ontdekken van een patroon in een plaatje. De SON zegt dus eigenlijk niets over de verbale (of iemand goed is met taal) en de totale intelligentie. Een eventuele V-P kloof komt dus ook niet naar voren bij deze test.

De test wordt afgenomen in een rustige ruimte, meestal door een psycholoog. Er wordt uitgebreid uitgelegd wat er gaat gebeuren, wat jouw kind kan verwachten tijdens de testafname. Ook wordt er bijvoorbeeld uitgelegd dat er pauze genomen kan worden als jouw kind hier behoefte aan heeft. De test bestaat uit 4 verschillende onderdelen, waardoor het niet zo lang duurt om de test te maken. Meestal duurt het ongeveer een uurtje.

De subtesten

1. Analogieën

In deze opdracht ziet jouw kind in een boekje een figuurtje en een pijl, en na de pijl heeft het figuurtje een verandering ondergaan. Daaronder staat een tweede figuurtje, een pijl en een vraagteken, en jouw kind moet de verandering van het eerste figuur toepassen op het tweede figuur. Onder aan de bladzijde staan 4 figuren, en jouw kind moet dan ontdekken welke van deze figuren thuis hoort op de plaats van het vraagteken. De opdracht wordt steeds moeilijker.

2. Mozaïeken

Bij deze opdracht ligt er een boekje op tafel, een kader, en een doos met verschillende vierkantjes. Rode en witte vierkantjes, maar ook een vierkantje met een strook rood en wit bij elkaar. In het boekje staan voorbeelden van figuren, die jouw kind na moet maken met de vierkantjes in het kader. De voorbeelden worden steeds moeilijker, en er komen steeds meer verschillende vierkantjes bij.

3. Categorieën

Op tafel ligt een boekje. Op de ene bladzijde staan 3 plaatjes met een bepaald begrip of onderwerp, en 2 lege vlakken. Op de andere bladzijde staan 5 plaatjes. Jouw zoon of dochter moet uit de 5 plaatjes op die bladzijde 2 plaatjes uitkiezen die onder het zelfde begrip vallen als op de andere bladzijde. Bijvoorbeeld: op de ene bladzijde staan 3 hondjes en 2 lege vlakken, op de andere bladzijde staan een poes, een hond, een cavia, een paard en nog een hond. Jouw kind moet dan de twee honden op die bladzijde aanwijzen.

4. PatronenIMG_5662 (1)

Bij deze opdracht worden er een boekje, een potlood en een puntenslijper op tafel gelegd. In het boekje staat een patroon getekend,  maar dan met een stuk weggelaten. Jouw zoon of dochter moet dan met het potlood het patroon afmaken. Wanneer jouw kind een fout maakt mag hij of zij dit met de gum corrigeren.

De SON IQ-score

Als alle subtesten zijn afgenomen, kan er een score worden berekend, de zogenaamde SON IQ-score. Zoals al eerder gezegd is dit geen totale iq-score, maar zegt dit alleen iets over het praktische inzicht van jouw zoon of dochter. Deze SON IQ-score kan wel worden vergeleken met ‘de algemene populatie’. Dan wordt er bijvoorbeeld gekeken of de score gemiddeld is, of misschien juist boven gemiddeld. Een score tussen de 45 en 50 wordt ‘matig verstandelijk beperkt’ genoemd, tussen de 50 en 70 ‘licht verstandelijk beperkt’, tussen de 70 en 80 ‘moeilijk lerend’, tussen de 80 en 90 ‘beneden gemiddeld’, tussen de 90 en 110 ‘gemiddeld’, tussen de 110 en 120 ‘boven gemiddeld’, en tussen de 120 en 130 ‘begaafd’. Bij een score boven de 130 wordt iemand hoogbegaafd genoemd. Dit is net als bij andere intelligentietesten.

Als je nog vragen hebt over intelligentietesten, of over een bepaalde IQ-score, stel deze dan gerust!

Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen bij autisme. Klik hier voor de andere artikelen uit deze serie

De WISC-III en autisme

In het artikel diagnostiek en autisme zijn de eerste stappen van het diagnostische proces bij het vaststellen van autisme besproken. In dit artikel zal een belangrijk onderdeel van dit proces worden besproken, namelijk de intelligentietest.

Intelligentietest
De afgelopen paar jaar zijn er voor verschillende doelgroepen veel verschillende intelligentietesten ontwikkeld. Voor volwassenen en voor kinderen, maar ook voor slechthorende en dove mensen. De intelligentietest die het meeste wordt gebruikt is de WechWISC en autismesler Intelligence Scale en ook deze test heeft verschillende versies. Er zijn twee versies voor kinderen (WPPSI, WISC-III), één voor volwassenen (WAIS-IV), en zelfs één voor doven en slechthorende (WNV). In dit artikel ga ik dieper in op de WISC-III. Deze intelligentietest is bedoelt om de algemene intelligentie te meten bij kinderen van 6 tot en met 16 jaar. De test bestaat uit 13 verschillende opdrachten die het kind moet uitvoeren.  Deze opdrachten zijn ingedeeld in twee groepen: de performale en verbale groepen. De performale opdrachten meten hoe goed iemand is in het toepassen van praktijkkennis. De verbale opdrachten zijn gericht op taal en meten bijvoorbeeld of iemand weet wat verschillende moeilijke woorden betekenen. De verbale en de performale opdrachten wisselen elkaar tijdens de test af. De test wordt meestal met pen en papier afgenomen in een rustige testruimte. De onderzoeker (vaak een psycholoog) legt, voor dat de test begint, uit wat er allemaal gaat gebeuren. Ook wordt er verteld dat je tussen de opdrachten door even pauze kan nemen. Er wordt dan ook uitgelegd dat alle opdrachten makkelijk beginnen, maar daarna steeds moeilijker worden. Vervolgens legt de onderzoeker alle opdrachten klaar en kan de test beginnen.

De subtesten
De WISC bestaat uit de volgende subtesten

  1. Onvolledige tekeningen: maak plaatje compleet
  2. Informatie: vragen over algemene kennisde WISC en autisme
  3. Substitutie: motorische vaardigheden en snelheid
  4. Overeenkomsten: overeenkomst tussen twee woorden noemen
  5. Plaatjes ordenen: verhaaltje maken met plaatjes
  6. Rekenen
  7. Blokpatronen: patronen maken met blokjes
  8. Woordkennis
  9. Figuur leggen: puzzelen
  10. Begrijpen: situaties begrijpen
  11. Symbolen vergelijken
  12. Cijferreeksen
  13. Doolhoven

De laatste drie opdrachten (symbolen vergelijken, cijferreeksen en doolhoven) hoeven niet altijd te worden afgenomen, maar de onderzoeker kan zelf bepalen of hij of zij dit nodig vindt. Zoals je ziet, verschillen de subtesten erg van elkaar en bij elk kind gelden zogenaamde instapregels en uitstapregels. Zo begint een kind altijd op een makkelijk (maar niet te makkelijk) niveau en gaat het nooit te lang door als een test te moeilijk wordt.  Omdat de verbale en performale subtesten worden afgewisseld is een kind ook nooit te lang bezig met iets wat hij of zij erg moeilijk of niet leuk vind.

De IQ-score
Als alle opdrachten zijn afgenomen, kan er een score worden berekend. De score die iemand tijdens de test haalt, de ruwe score, wordt vergeleken met een normgroep. Dit betekent dat de score wordt vergeleken met de scores van heel veel andere kinderen van dezelfde leeftijd. Hieruit volgt dan de gestandaardiseerde score. Deze gestandaardiseerde scores worden vervolgens bij elkaar opgeteld, en hier komen drie verschillende IQ-scores uit. De totale IQ-score, de performale IQ-score en de verbale IQ-score. De totale IQ-score kan je zien als een gemiddelde van alle scores. Soms mag deze score niet gebruikt worden, bijvoorbeeld wanneer er een te groot verschil zit tussen de performale en verbale scores (die onderdeel uitmaken van de totale IQ-score). Men spreekt dan over een verbaal-performale kloof. Bij kinderen met autisme komt dit vaker voor dan bij kinderen zonder autisme. Over de V-P kloof is ook een artikel geschreven, deze kun je hier vinden. Ook mag de totale IQ-score niet worden gebruikt als er te grote verschillen zijn gevonden in de scores van de opdrachten. Dan is de totale IQ-score niet betrouwbaar, en kan je beter kijken naar de afzonderlijke performale en verbale scores. Aan deze scores kun je zien waar het kind goed in is, en waar een kind misschien begeleiding bij nodig heeft.

De IQ-score kan ook worden vergeleken met ‘de algemene populatie’. Dan wordt er bijvoorbeeld gekeken of de score gemiddeld is, of misschien juist boven gemiddeld. Een score tussen de 45 en 50 wordt ‘matig verstandelijk beperkt’ genoemd, tussen de 50 en 70 ‘licht verstandelijk beperkt’, tussen de 70 en 80 ‘moeilijk lerend’, tussen de 80 en 90 ‘beneden gemiddeld’, tussen de 90 en 110 ‘gemiddeld’, tussen de 110 en 120 ‘boven gemiddeld’, en tussen de 120 en 130 ‘begaafd’. Bij een score boven de 130 wordt iemand hoogbegaafd genoemd.

Als je nog vragen hebt over intelligentie testen, of over een bepaalde IQ-score, stel deze dan gerust!

Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen bij autisme. Klik hier voor de andere artikelen uit deze serie.

Diagnostiek bij autisme: De eerste stappen

Als er vermoedens zijn dat jouw kind autisme heeft, beland je misschien al snel in een verwarrend traject van testen, diagnoses, therapieën, verschillende instanties en professionals. Voor iedereen die op het punt staat deze reis te gaan maken, voor mensen die halverwege de weg zijn kwijt geraakt en voor mensen die zich aan het einde afvragen wat er nu allemaal is gebeurt, komt Autismore met een serie artikelen over dit traject. Dit is het eerste artikel in deze serie. In dit artikel zal ik uitleggen wat de allereerste stap is. Hoe vraag je om hulp en wat gebeurt er dan?diagnostiek

Als je vermoedt dat jouw zoon of dochter autisme heeft, of je maakt je zorgen om zijn of haar gedrag of ontwikkeling, dan kan je in eerste instantie naar de huisarts. De huisarts zal je waarschijnlijk doorverwijzen naar een GGZ (Geestelijke Gezondheidszorg) instelling, of een afhankelijk onderzoeksbureau. Jouw kind komt dan vaak eerst op een wachtlijst terecht voor psychodiagnostisch onderzoek. Een psychodiagnostisch onderzoek is een uitgebreid onderzoek waarbij meerdere tests worden afgenomen om alle vragen, die jij als ouder hebt, te kunnen beantwoorden. Dit onderzoek kan worden uitgevoerd door een (GZ)psycholoog, een orthopedagoog of een psychologisch medewerker.

Er wordt bij dit onderzoek dus niet alleen gekeken naar een autisme spectrum stoornis, maar ook naar eventuele andere (gedragsproblemen) die de klachten kunnen veroorzaken. Bij het onderzoek zullen er verschillende ‘testinstrumenten’ worden gebruikt. Niet alleen jouw zoon of dochter zal testen gaan maken, ook jij als ouder wordt aan het werk gezet. Bijvoorbeeld voor het invullen van een vragenlijst. Als ouder ken jij je kind natuurlijk als geen ander.

Een ander belangrijk onderdeel van het onderzoek is de ontwikkelingsanamnese. De ontwikkelingsanamnese is een lange vragenlijst over de ontwikkeling van het kind, en wordt afgenomen om de levensloop van je kind in kaart te brengen. De ontwikkelingsanamnese wordt vaak afgenomen in de vorm van een gesprek. De psycholoog zal veel vragen stellen over hoe jouw kind is geboren, hoe hij is opgegroeid en of er bijzondere dingen zijn gebeurd in het leven van jouw zoon of dochter. Het wordt vaak aangeraden om voor dit gesprek een groeiboekje mee te nemen. Tijdens dit gesprek kan je vragen verwachten als:

  • Waren er complicaties tijdens de zwangerschap?
  • Hoe oud was je zoon of dochter toen hij of zij ging lopen?
  • Zijn jullie vaak verhuisd?
  • Hoe ging de eerste schooldag?
  • Heeft jouw zoon of dochter altijd veel vrienden gehad?

Als je de vraag hebt, of jouw zoon of dochter autisme heeft, zal er diagnostiekook specifiek worden gekeken naar de kenmerken van autisme. Hiervoor moet jij als ouder misschien nog een vragenlijst invullen, en/of jouw kind maakt een test specifiek voor autisme. Daarnaast is het waarschijnlijk dat je kind een intelligentietest zoals de WISC-III-NL zal doen.

Er zal bij het onderzoek altijd worden gekeken of er misschien (ook) iets anders aan de hand is met jouw zoon of dochter. Als er nog onduidelijkheden of vragen zijn na het onderzoek, kan er ook nog aanvullend onderzoek worden gedaan. Een voorbeeld hiervan is een somatisch (lichamelijk) onderzoek, een logopedisch onderzoek, of een gezinsonderzoek. Het is de bedoeling dat er tijdens deze onderzoeken zoveel mogelijk informatie over jouw kind op tafel komt, zodat er een duidelijk beeld kan ontstaan over wat er aan de hand is.

Wanneer de onderzoeker alle ‘testinstrumenten’ heeft afgenomen werkt hij alles uit, en wordt er een verslag van gemaakt. De gegevens van het onderzoek worden dan in het multidisciplinaire team besproken. Dit houdt in dat iedereen die bij het kind betrokken is (de psycholoog, de belegeider, etc.)hierbij aanwezig zijn. Tijdens dit gesprek wordt een beeld gevormd van het kind en kan er een diagnose (wel of geen autisme, of iets anders zoals ADHD) worden gesteld.  Vervolgens komt er een advies gesprek met jou, de ouder en eventueel ook met jouw zoon of dochter. De uitslag en het verslag worden dan besproken en in dit gesprek kan de onderzoeker uitleggen waarom ze tot de diagnose zijn gekomen. Schroom niet om tijdens dit gesprek vragen te stellen, totdat alles je duidelijk is. Eventueel wordt er  een voorstel gedaan voor behandeling of begeleiding voor jouw kind. Ook kan er een advies worden gegeven voor je kind, bijvoorbeeld voor een goede school. Je beslist uiteraard zelf of je dit advies wel of niet aanneemt.

Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen bij autisme. Klik hier voor de andere artikelen uit deze serie.

De V-P kloof en autisme

Als ouder heb je de term misschien al wel eens gelezen in een verslag of gehoord van een professional: een v-p kloof. Veel kinderen en jongeren met autisme hebben ook een zogenaamde kloof tussen hun verbale en performale intelligentie, kort de v-p kloof. Maar wat betekent deze kloof? Hoe wordt hij gemeten en wat kan je er aan doen? Dat lees je allemaal in dit artikel.

Wat is een V-P kloof?

Een v-p kloof staat voor een kloof tussen iemands verbale en performale intelligentie. Voor ik kan v-p kloofuitleggen wat deze kloof is, zal ik eerst uitleggen wat verbale intelligentie en performale intelligentie betekent. Als je een intelligentie test doet, worden er vaak twee soorten intelligentie getest die samen het gemiddelde intelligentie niveau bepalen. Verbale en performale intelligentie. Verbale intelligentie klinkt voor veel mensen al bekend. Het meet je intelligentie op het gebied van taal. Met verschillende onderdelen test een IQ test of je de betekenis van veel woorden kent, of je verbanden kan leggen en of je kan redeneren. Wat performaal IQ is, is lastiger uit te leggen. In een IQ test wordt je performale intelligentie getest met onderdelen die je ruimtelijk inzicht testen, je motorische vaardigheden meten en die kijken hoe je omgaat met problemen. Je performale intelligentie vertelt dus, hoe goed jij kennis praktisch kan gebruiken.

Terug naar de v-p kloof. Als je een v-p kloof hebt, betekent dit dat jouw scores op de verbale en performale intelligentie erg uit elkaar liggen. De meeste mensen zijn, ondanks kleine verschillen, in beide onderdelen ongeveer even goed. Bij mensen met een v-p kloof is dit wél het geval en dit kan problemen opleveren. Zoals je in andere artikelen op deze site kan lezen, zijn kinderen en jongeren met autisme vaak erg goed in het zien van details; ze begrijpen sneller hoe systemen werken en hebben moeite met de sociale en communicatieve aspecten van hun leven. Kinderen en jongeren met autisme hebben daarom soms een v-p kloof waarbij hun performale intelligentie een stuk hoger is, dan hun verbale intelligentie. Dit kan echter ook andersom voorkomen (vooral bij kinderen met Asperger). Zij hebben juist vaak een hogere verbale intelligentie.

Wat kan ik er aan doen?

Net als met het totale IQ is een groot deel van de intelligentie aangeboren (ongeveer 50%) en een ander deel van je intelligentie wordt vaak bepaald in je eerste levensjaren. Toch is het wel mogelijk om je IQ te trainen met specifieke opdrachten. Iemands IQ drastisch veranderen is wel zeer moeilijk. naast het trainen van je IQ kan je ook rekening houden met een V-P kloof bij jouw zoon of dochter. Erken de zwakke punten en geef hier extra ondersteuning in, maar erken ook zeker de sterke punten en probeer deze in het voordeel te gebruiken! Enkele tips die kunnen helpen als jouw kind performaal veel sterker is dan verbaal, zijn:

  • v-p kloof veter strikkenWees beeldend. Gesproken taal komt minder goed binnen dan plaatjes, dus probeer bijvoorbeeld pictogrammen te gebruiken. Zeker bij taken die vaak terugkomen kan het bij kleine kinderen helpen om een stappenplan met plaatjes te hebben. Bijvoorbeeld om je veters te leren strikken!
  • Leg dingen vast. Je kan het duizend keer zeggen of gewoon één keer ergens opschrijven. Zo komt de informatie beter binnen. Plak bijvoorbeeld een briefje op de koelkast met de vraag of jouw zoon of dochter de hond wil uitlaten om 16.00. Een vast plaatje voor deze vraag is ook handig.
  • Maak een planning. Als dingen volgens een vaste structuur verlopen is dit makkelijker om te onthouden en hoef je ook minder verbale sturing te geven.
  • Gebruik korte zinnen. Zeker als we praten, gebruiken we soms erg lange zinnen met meerdere acties in die zin. Wees kort en bondig als je tegen jouw zoon of dochter met een V-P kloof spreekt. Noem slechts één vraag of actie per zin. Bijvoorbeeld: “Doe je schoenen aan” In plaats van “Kom op, pak eens snel je schoenen, we moeten snel weg als je we nog op tijd op school willen komen en je hebt meteen gym dus je moet echt op tijd zijn!”. Je hebt nu in één zin heel veel informatie gegeven en jouw kind is de eerste helft van de zin alweer vergeten als je bent uitgesproken!

Enkele tips die kunnen helpen als jouw kind verbaal veel sterker is dan performaal, zijn:

  • Overschat je kind niet! Kinderen met een hoog verbaal IQ kunnen erg intelligent overkomen, maar kunnen taken als boodschappen doen erg moeilijk vinden. Let goed op wat jouw kind wel en niet alleen kan en laat je niet misleiden door de moeilijke taal die ze soms kunnen gebruiken.
  • Maak een stappenplan. Gesproken en geschreven taal zijn niet moeilijk voor deze kinderen, maar het omzetten naar acties wel. Maak voor nieuwe taken daarom een stappenplan zodat ze precies weten wat ze moeten doen en oefen ze regelmatig
  • Leg sociale situaties uit. Bij een sociale situatie gebeurt veel meer dan alleen de taal die wordt gesproken. Help deze kinderen om gezichtsuitdrukking, lichaamshoudingen en ga zo maar door te herkennen en te begrijpen.
  • Leer ze social gedrag. Omdat ze sommige sociale situaties misschien niet goed begrijpen kunnen deze kinderen soms wat asociaal gedrag vertonen. Bijvoorbeeld eindeloos kunnen praten over hun eigen onderwerp, maar niet luisteren als iemand anders praat. Leer jouw kind dit soort vaardigheden en help ze misschien dit soort asociaal gedrag te herkennen.

Dit is een artikel dat onderdeel is van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen met autisme. Klik hier voor de andere artikelen in deze serie.