beter

De SON-R 6-40 en autisme

In het artikel diagnostiek en autisme zijn de eerste stappen van het diagnostische proces bij het vaststellen van autisme besproken. In dit artikel wordt een belangrijk onderdeel van dit proces besproken, namelijk de intelligentietest. De intelligentietest die het meeste wordt gebruikt, de WISC-III, is al eerder besproken in dit artikel.

de SON-R 6-40

In dit artikel wordt de SON-R 6-40 besproken, de Snijders-Oomen Niet-Verbale Intelligentietest. “Niet-verbaal“, betekent dat er tijdens het onderzoek vrijwel geen taal gebruikt hoeft te worden. Dit is handig, want zo kunnen we bij doDe SON en autismeven en slechthorenden, maar ook bij kinderen en volwassenen die de Nederlandse taal nog niet goed spreken of begrijpen toch de intelligentie meten. De 6-40 staat voor de leeftijdsgroep: kinderen en volwassenen tussen de  6 en 40 jaar kunnen deze test maken. Er is ook een SON voor jongere kinderen, namelijk die van 2.5 tot 7 jaar, maar die wordt nu niet besproken.

Omdat er bij de SON geen taal wordt gebruikt, wordt alleen de performale intelligentie gemeten. Dat wil zeggen: hoe goed iemand is in het toepassen van praktijkkennis,  bijvoorbeeld hoe goed iemand is in het oplossen van puzzels. Of het kunnen ontdekken van een patroon in een plaatje. De SON zegt dus eigenlijk niets over de verbale (of iemand goed is met taal) en de totale intelligentie. Een eventuele V-P kloof komt dus ook niet naar voren bij deze test.

De test wordt afgenomen in een rustige ruimte, meestal door een psycholoog. Er wordt uitgebreid uitgelegd wat er gaat gebeuren, wat jouw kind kan verwachten tijdens de testafname. Ook wordt er bijvoorbeeld uitgelegd dat er pauze genomen kan worden als jouw kind hier behoefte aan heeft. De test bestaat uit 4 verschillende onderdelen, waardoor het niet zo lang duurt om de test te maken. Meestal duurt het ongeveer een uurtje.

De subtesten

1. Analogieën

In deze opdracht ziet jouw kind in een boekje een figuurtje en een pijl, en na de pijl heeft het figuurtje een verandering ondergaan. Daaronder staat een tweede figuurtje, een pijl en een vraagteken, en jouw kind moet de verandering van het eerste figuur toepassen op het tweede figuur. Onder aan de bladzijde staan 4 figuren, en jouw kind moet dan ontdekken welke van deze figuren thuis hoort op de plaats van het vraagteken. De opdracht wordt steeds moeilijker.

2. Mozaïeken

Bij deze opdracht ligt er een boekje op tafel, een kader, en een doos met verschillende vierkantjes. Rode en witte vierkantjes, maar ook een vierkantje met een strook rood en wit bij elkaar. In het boekje staan voorbeelden van figuren, die jouw kind na moet maken met de vierkantjes in het kader. De voorbeelden worden steeds moeilijker, en er komen steeds meer verschillende vierkantjes bij.

3. Categorieën

Op tafel ligt een boekje. Op de ene bladzijde staan 3 plaatjes met een bepaald begrip of onderwerp, en 2 lege vlakken. Op de andere bladzijde staan 5 plaatjes. Jouw zoon of dochter moet uit de 5 plaatjes op die bladzijde 2 plaatjes uitkiezen die onder het zelfde begrip vallen als op de andere bladzijde. Bijvoorbeeld: op de ene bladzijde staan 3 hondjes en 2 lege vlakken, op de andere bladzijde staan een poes, een hond, een cavia, een paard en nog een hond. Jouw kind moet dan de twee honden op die bladzijde aanwijzen.

4. PatronenIMG_5662 (1)

Bij deze opdracht worden er een boekje, een potlood en een puntenslijper op tafel gelegd. In het boekje staat een patroon getekend,  maar dan met een stuk weggelaten. Jouw zoon of dochter moet dan met het potlood het patroon afmaken. Wanneer jouw kind een fout maakt mag hij of zij dit met de gum corrigeren.

De SON IQ-score

Als alle subtesten zijn afgenomen, kan er een score worden berekend, de zogenaamde SON IQ-score. Zoals al eerder gezegd is dit geen totale iq-score, maar zegt dit alleen iets over het praktische inzicht van jouw zoon of dochter. Deze SON IQ-score kan wel worden vergeleken met ‘de algemene populatie’. Dan wordt er bijvoorbeeld gekeken of de score gemiddeld is, of misschien juist boven gemiddeld. Een score tussen de 45 en 50 wordt ‘matig verstandelijk beperkt’ genoemd, tussen de 50 en 70 ‘licht verstandelijk beperkt’, tussen de 70 en 80 ‘moeilijk lerend’, tussen de 80 en 90 ‘beneden gemiddeld’, tussen de 90 en 110 ‘gemiddeld’, tussen de 110 en 120 ‘boven gemiddeld’, en tussen de 120 en 130 ‘begaafd’. Bij een score boven de 130 wordt iemand hoogbegaafd genoemd. Dit is net als bij andere intelligentietesten.

Als je nog vragen hebt over intelligentietesten, of over een bepaalde IQ-score, stel deze dan gerust!

Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen bij autisme. Klik hier voor de andere artikelen uit deze serie

facebooktwitterby feather
Als eerste een nieuw artikel lezen? 
Schrijf je in voor de autismore nieuwsbrief!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *