Het brein en autisme – Neurotransmitters

In een eerder artikel over autisme en het brein is al gesproken over de verschillende hersengebieden die anders zijn bij mensen met autisme. Deze kun je hier vinden. In dit artikel ga ik het hebben over neurotransmitters. Wat zijn dat eigenlijk? En wat voor invloed kunnen ze hebben?

Neurotransmitters
Neurotransmitters zijn een soort chemische stofjes in de hersenen, waardoor hersencellen met elkaar kunnen communiceren. Ze worden gemaakt in de verschillende hersencellen, en worden daarna losgelaten tussen twee hersencellen in. De andere hersencel vangt de neurotransmitter vervolgens weer op, en zo is het stofje doorgegeven. Op deze manier kunnen verschillende hersencellen een boodschap doorgeven aan elkaar. Er zijn twee verschillende neurotransmitters die een relatie met autisme hebben.

SerotonineAutisme-neurotransmitters
De eerste neurotransmitter die een link heeft met autisme is serotonine. Deze neurotransmitter speelt bij iedereen een hele grote rol in het lichaam. Voorbeelden waar serotonine invloed op heeft  zijn emoties, slapen, eetlust, stemming en zelfvertrouwen. Een tekort van serotonine heeft een grote invloed op je stemming, je kan bijvoorbeeld depressief worden. Ook speelt serotonine dus een grote rol bij het voelen van emoties en het uiten van sociaal gedrag. Dit zijn dingen die bij mensen met autisme vaak moeilijk zijn.

Dopamine
Dopamine speelt ook een belangrijke rol en er blijkt bij mensen met autisme meer dopamine in de hersenen te zijn dan bij mensen zonder autisme. Deze neurotransmitter is belangrijk voor het ervaren van beloningen en geluksgevoelens. Kinderen met autisme zijn vaak extra vatbaar voor beloningen en dat zou dus verklaard kunnen worden door deze neurotransmitter.

Hoe de twee neurotransmitters serotonine en dopmaine precies werken is nog niet helemaal duidelijk. Wel lijkt de combinatie van de twee genoemde neurotransmitters en wat hier mee mis kan gaan, een grote rol te spelen in autistisch probleemgedrag.

Helaas is nog niet helemaal duidelijk voor wetenschappers hoe de hersenen nou precies werken, en hebben we er nu nog erg weinig aan voor bijvoorbeeld de behandeling van autisme. Gelukkig  wordt er wel heel veel onderzoek naar gedaan, en komen er steeds meer nieuwe inzichten bij die misschien in de toekomst wel kunnen bijdragen aan een goede behandeling van autisme.

De officiële bron die is gebruikt voor dit artikel is: Wicks-Nelson, R., Israel, A. C. (2009). Abnormal child and adolescent psychology. Pearson Education LTD, London

Het brein en autisme – Hersenstructuren

De autisme spectrum stoornissen (ASS) bestaan uit veel verschillende vormen. Vaak wordt de diagnose autisme gebaseerd op problemen die te zien zijn in het gedrag, zoals de moeilijkheden in de sociale communicatie. Deze problemen in het gedrag kunnen voort komen uit de opvoeding en gebeurtenissen die iemand heeft meegemaakt. Maar deze problemen kunnen zich ook ontwikkelen door  verschillende delen van de hersenen die anders werken bij mensen met autisme. Uit onderzoek is namelijk gebleken dat er veel verschil zit in de hersenen van een persoon met autisme en een persoon zonder autisme. Wat zijn deze verschillen precies, en welke invloed kan dit hebben?

Brein Autisme

Het sociale brein
Veel hersendelen die een link hebben met autisme zijn onderdeel van wat ook wel het ‘sociale brein’ wordt genoemd. Dit zijn onder andere het corpus callosum, de amygdala, de frontale kwabben en het cerrebellum. Bij mensen met autisme kunnen deze gebieden groter zijn dan normaal, maar ook de hoeveelheid van bijvoorbeeld de witte en grijze cellen kunnen verschillen. Deze hersengebieden hebben allemaal betrekking op  bijvoorbeeld het kunnen tegenhouden van impulsen, en kunnen voor cognitieve problemen gedragsproblemen zorgen.

Het corpus callosum

Het corpus callosum is een onderdeel van de hersenen die anders is ontwikkeld bij kinderen met autisme. Het zorgt voor de communicatie tussen de twee hersenhelften. Zo kunnen de verschillende functies  in de hersenen, zoals de waarneming en het geheugen, wel goed werken bij mensen met autisme, maar gaat er iets mis in de communicatie tussen de verschillende hersendelen. Dit kan voor verschillende problemen zorgen, bijvoorbeeld in sociale contacten, maar ook op het gebied van taal.

De amygdala
De amygdala  is een regelcentrum in de hersenen. Het maakt verbanden van waarnemingen die binnen komen via de zintuigen. Deze worden vervolgens gekoppeld aan emoties. De amygdala probeert daarna die emoties en sociaal gedrag te reguleren, iets wat bij kinderen met autisme wel eens lastig gaat. Dit proces gaat normaal helemaal automatisch.

Deze abnormaliteiten in de hersenen ontwikkelen zich al in de baarmoeder. Kinderen met autisme kunnen dus niet zomaar  even ophouden met het probleemgedrag of bijvoorbeeld  snel ‘genezen’ worden door een wondermedicijn.

De officiële bron die is gebruikt voor dit artikel is: Wicks-Nelson, R., Israel, A. C. (2009). Abnormal child and adolescent psychology. Pearson Education LTD, London