De WISC-III en autisme

In het artikel diagnostiek en autisme zijn de eerste stappen van het diagnostische proces bij het vaststellen van autisme besproken. In dit artikel zal een belangrijk onderdeel van dit proces worden besproken, namelijk de intelligentietest.

Intelligentietest
De afgelopen paar jaar zijn er voor verschillende doelgroepen veel verschillende intelligentietesten ontwikkeld. Voor volwassenen en voor kinderen, maar ook voor slechthorende en dove mensen. De intelligentietest die het meeste wordt gebruikt is de WechWISC en autismesler Intelligence Scale en ook deze test heeft verschillende versies. Er zijn twee versies voor kinderen (WPPSI, WISC-III), één voor volwassenen (WAIS-IV), en zelfs één voor doven en slechthorende (WNV). In dit artikel ga ik dieper in op de WISC-III. Deze intelligentietest is bedoelt om de algemene intelligentie te meten bij kinderen van 6 tot en met 16 jaar. De test bestaat uit 13 verschillende opdrachten die het kind moet uitvoeren.  Deze opdrachten zijn ingedeeld in twee groepen: de performale en verbale groepen. De performale opdrachten meten hoe goed iemand is in het toepassen van praktijkkennis. De verbale opdrachten zijn gericht op taal en meten bijvoorbeeld of iemand weet wat verschillende moeilijke woorden betekenen. De verbale en de performale opdrachten wisselen elkaar tijdens de test af. De test wordt meestal met pen en papier afgenomen in een rustige testruimte. De onderzoeker (vaak een psycholoog) legt, voor dat de test begint, uit wat er allemaal gaat gebeuren. Ook wordt er verteld dat je tussen de opdrachten door even pauze kan nemen. Er wordt dan ook uitgelegd dat alle opdrachten makkelijk beginnen, maar daarna steeds moeilijker worden. Vervolgens legt de onderzoeker alle opdrachten klaar en kan de test beginnen.

De subtesten
De WISC bestaat uit de volgende subtesten

  1. Onvolledige tekeningen: maak plaatje compleet
  2. Informatie: vragen over algemene kennisde WISC en autisme
  3. Substitutie: motorische vaardigheden en snelheid
  4. Overeenkomsten: overeenkomst tussen twee woorden noemen
  5. Plaatjes ordenen: verhaaltje maken met plaatjes
  6. Rekenen
  7. Blokpatronen: patronen maken met blokjes
  8. Woordkennis
  9. Figuur leggen: puzzelen
  10. Begrijpen: situaties begrijpen
  11. Symbolen vergelijken
  12. Cijferreeksen
  13. Doolhoven

De laatste drie opdrachten (symbolen vergelijken, cijferreeksen en doolhoven) hoeven niet altijd te worden afgenomen, maar de onderzoeker kan zelf bepalen of hij of zij dit nodig vindt. Zoals je ziet, verschillen de subtesten erg van elkaar en bij elk kind gelden zogenaamde instapregels en uitstapregels. Zo begint een kind altijd op een makkelijk (maar niet te makkelijk) niveau en gaat het nooit te lang door als een test te moeilijk wordt.  Omdat de verbale en performale subtesten worden afgewisseld is een kind ook nooit te lang bezig met iets wat hij of zij erg moeilijk of niet leuk vind.

De IQ-score
Als alle opdrachten zijn afgenomen, kan er een score worden berekend. De score die iemand tijdens de test haalt, de ruwe score, wordt vergeleken met een normgroep. Dit betekent dat de score wordt vergeleken met de scores van heel veel andere kinderen van dezelfde leeftijd. Hieruit volgt dan de gestandaardiseerde score. Deze gestandaardiseerde scores worden vervolgens bij elkaar opgeteld, en hier komen drie verschillende IQ-scores uit. De totale IQ-score, de performale IQ-score en de verbale IQ-score. De totale IQ-score kan je zien als een gemiddelde van alle scores. Soms mag deze score niet gebruikt worden, bijvoorbeeld wanneer er een te groot verschil zit tussen de performale en verbale scores (die onderdeel uitmaken van de totale IQ-score). Men spreekt dan over een verbaal-performale kloof. Bij kinderen met autisme komt dit vaker voor dan bij kinderen zonder autisme. Over de V-P kloof is ook een artikel geschreven, deze kun je hier vinden. Ook mag de totale IQ-score niet worden gebruikt als er te grote verschillen zijn gevonden in de scores van de opdrachten. Dan is de totale IQ-score niet betrouwbaar, en kan je beter kijken naar de afzonderlijke performale en verbale scores. Aan deze scores kun je zien waar het kind goed in is, en waar een kind misschien begeleiding bij nodig heeft.

De IQ-score kan ook worden vergeleken met ‘de algemene populatie’. Dan wordt er bijvoorbeeld gekeken of de score gemiddeld is, of misschien juist boven gemiddeld. Een score tussen de 45 en 50 wordt ‘matig verstandelijk beperkt’ genoemd, tussen de 50 en 70 ‘licht verstandelijk beperkt’, tussen de 70 en 80 ‘moeilijk lerend’, tussen de 80 en 90 ‘beneden gemiddeld’, tussen de 90 en 110 ‘gemiddeld’, tussen de 110 en 120 ‘boven gemiddeld’, en tussen de 120 en 130 ‘begaafd’. Bij een score boven de 130 wordt iemand hoogbegaafd genoemd.

Als je nog vragen hebt over intelligentie testen, of over een bepaalde IQ-score, stel deze dan gerust!

Dit artikel is onderdeel van een serie artikelen over diagnostiek bij kinderen bij autisme. Klik hier voor de andere artikelen uit deze serie.